“In die tijd begon men de naam van de Heer aan te roepen”

Geplaatst op: 22 oktober 2010  |   Geplaatst in: Algemeen,Meditaties

Genesis 4:26

Je ziet het steeds meer: religieuze uitingen in de sport. Eerst was het nog een vluchtig kruisje slaan als je als winnaar over de finish fietste of een doelpunt scoorde, nu zijn er teams die openlijk in gebed gaan alvorens de wedstrijd begint. Afgelopen WK voetbal was het team van Ghana daar een voorbeeld van. Het onderwerp van gebed lijkt mij, zo 5 minuten voor de wedstrijd, vrij voorspelbaar. Overigens betwijfel ik of God met dezelfde aandacht het WK volgde als wij hier beneden deden. Het lijkt mij ook lastig als beide teams bidden om de winst. Toch heeft het wel iets, sporters samen in gebed, roepende om een hogere kracht.

Sinds mensenheugenis wordt God al aangeroepen. Het moment waarop de mens hiermee start staat zelfs vermeld in het boek Genesis. Het betrof Set en zijn gezin. Set is geboren als troostkind. Hij werd door God gegeven omwille van het gemis van Abel, die door broer Kaïn was vermoord. Set leefde in het besef dat de mens sterfelijk is. Z’n zoon kreeg dan ook de naam Enos wat “sterfelijk” betekent. Het tekent dat de eerste mensen heftig onder de indruk waren geraakt van het feit dat ze niet voor altijd leven. Dit deed hen eigen nietigheid en kwetsbaarheid beseffen en daarmee samenhangend de grootsheid van de Eeuwige. Dit gaf de mens alle reden om God aan te roepen.

Eigenlijk een triest verhaal als je beseft wat een geweldige weelde hieraan voorafging.  Adam en Eva wandelden met God. Er was een permanente verbondenheid. Eén generatie later is er de mens die in zijn nood God aanriep. Wat heeft de zondeval met de mens gedaan? Het verbrak de verbondenheid tussen Schepper en schepsel.

 “Toen de mens en zijn vrouw God, de HEER, in de koelte van de avondwind
 door de tuin hoorden wandelen, verborgen zij zich voor Hem tussen de bomen.
 Maar God, de HEER, riep de mens: “Adam waar ben je?” Genesis 3:8,9

Merk op; het was de mens die zich verborg voor God en niet andersom. God zocht en de mens wist blijkbaar niet meer of het nog wel verstandig was om voor het aangezicht van Hem te leven. Sindsdien kent de mens haar momenten van verbergen en van aanroepen. De ene mens leeft met het besef van eigen beperking en ziet de reden om tot God te gaan. De andere mens denkt dat hij of zij het zelf wel redt.

“Dwazen denken: Er is geen God. Verdorven zijn ze, en gruwelijk hun daden,
geen van hen deugt. De HEER kijkt vanuit de hemel naar de mensen om te zien
of er één verstandig is, één die God zoekt. Allen zijn afgedwaald, allen ontaard,
geen van hen deugt, niet één. Hebben ze dan geen inzicht, die kwaadstichters?
Ze verslinden mijn volk of het brood is en ze roepen de HEER niet aan.”
Psalm 14:1-4

De dwaas zegt: “Er is geen God” en dus roept hij de Heer niet aan. Dit tot ergernis van de Schepper. Zie de mens die alles prima zelf kan. Tot hij of zij vastloopt in het leven en dan ineens bedenkt: “Kom, laat ik de Heer gaan aanroepen”.

“En ik? Ik roep tot God, de HEER zal mij redden. In de avond, in de morgen,
in de middag klaag en zucht ik, en Hij hoort mijn stem.” Psalm 55:17-18

De dag van een Jood begint bij de avondschemering. Vandaar eerst de avond en als laatste de middag. Daar zit een diepere gedachte achter. De mens komt vanuit het duister naar het licht. Eerst moeten we tegen de lamp lopen alvorens we het licht zoeken. Wat zijn we toch rare wezens. Wat moet God toch van ons denken? Laten we te rade gaan bij een wijs profeet.

“Welnu, dit zegt de HEER, die jou schiep Jakob, die jou vormde Israël:
Wees niet bang, want Ik zal je vrijkopen, Ik heb je bij je naam geroepen,
je bent van Mij!” Jesaja 43:1

Een geweldig woord staat hier. God blijft uitzien naar jouw moment van gebed. Hij roept je bij naam! Wat gold voor Adam & Eva, geldt later evenzo voor Ada & Evert: “Wees niet bang, want de Heer roept je bij je naam. Je blijft zijn scheppingswerk. Nu gingen de mensen vast gebruik maken van dit aanbod …

“Maar jij hebt niet tot Mij geroepen, Jakob, jij gaf je geen moeite voor Mij,
Israël.” Jesaja 43:22    

“Nee dus”. Zolang men eigen bonen doppen kan, doet men alles op eigen kracht. Totdat het allemaal niet meer zo lekker loopt en ja wat dan? Grootouders zochten in zo’n situatie hun hulp bij de HEER, maar ja, men is die verbondenheid door de jaren heen kwijtgeraakt. Men weet God niet meer te vinden, omdat men al jaren zonder gebed leefde. Dus zegt de profeet:

“Zoek de Heer nu Hij zich laat vinden, roep Hem terwijl Hij nabij is!”
Jesaja 55:6

Jesaja roept het volk op om God opnieuw te zoeken. Het is als een golfbeweging; er zijn tijden van “doe het zelf” en tijden van inkeer. In het boek Nehemia wordt deze wisseling pijnlijk helder beschreven.

“Maar zodra ze weer rust hadden deden ze weer wat slecht is in Uw ogen.
Dan leverde U hen aan hun vijanden uit, die hen vervolgens weer overheersten,
en dan riepen zij U opnieuw aan, en vanuit de hemel verhoorde U hen weer.
Liefdevol als U bent, redde U hen vele malen.”   Nehemia 9:28

Het laatste vers vind ik hoopgevend. Als mens zou ik zeggen; “helemaal gehad met jullie”, maar God blijft liefdevol voor de mens. Prachtig! Jarenlang heb ik gedacht, er komt wellicht een moment, dan mogen we de Heer niet meer aanroepen. Nee dus. Bij God mag je blijven komen. Dit is de lankmoedigheid van Hem. En dus zingen we terecht: “Heer ik kom tot U, opnieuw en opnieuw” (Opwekking 542).

De diepere ontdekking achter dit verhaal is dat de mens maar zelden God zoekt. Daarentegen zoekt God voortdurend de mens. In mijn boekenkast staat een parel van wijsheid van de Joodse filosoof Abraham Joshua Heschel. Ik citeer uit de laatste pagina van zijn boek “God zoekt de mens” (pag. 473)
 
“Israëls ervaring van God is niet het resultaat van speurwerk. Israël ontdekte God niet. Israël werd ontdekt door God. Het jodendom is Gods zoeken naar de mens. De bijbel is een verslag van Gods benadering van Zijn volk. In de bijbel leest men meer over Gods liefde voor Israël dan over Israëls liefde voor God. Wij hebben God niet gekozen: Hij heeft ons gekozen.”

Vervolgens is het de sterfelijke mens, die tot God komt en Hem gaat aanroepen. Gelukkig heeft God een liefdevol hart voor Israël én alle andere volken. Ooit zullen alle volken de Heer aanroepen. Niet, dat de mens wijzer is geworden, maar vanwege God. Dan roepen de volken niet meer de Heer aan om de winst in de strijd ten koste van de ander, maar dan roept men eensgezind eenzelfde Heer aan. De profeet Sefanja ziet het al voor zich:

“Dan zal Ik de lippen van de volken rein maken, zij zullen de naam
van de Heer aanroepen, ze zullen Hem dienen, zij aan zij.” Sefanja 3:9       

Een verbindende schakel is nodig tussen het Joodse volk en alle andere volken. Dit, opdat we ooit zij aan zij eenzelfde Heer zullen aanroepen. Die schakel is ons geopenbaard: Jezus Christus; de messias, de verlosser aller volken. En weer ligt het initiatief bij God! De hemelse Vader zond zijn Zoon naar deze wereld. Vervolgens zocht Jezus zijn discipelen op. En wanneer het stormde op zee volgde het moment om de machtige Heer aan te roepen. “Help; we verzuipen!” roepen ze dan. En de Heer helpt. Laten we samen de naam van Heer opnieuw aanroepen. Doe als gemeente mee met de keten van gebed. De Heer is het waard en zal Zich zeker laten vinden!

Erik van Duyl

Reageren is uitgeschakeld.